vrijdag 2 december 2011

Flirten in de trein

Soms toont de liefde zich in volle glorie en is er geen ontkomen aan. Soms vertoont ze zich als een klein lichtstraaltje door een kier van de deur. En dan kan het wel eens gebeuren dat je de kans mist. Daar sta je dan, op het regenachtige station. De trein komt langzaam in beweging. Je kijkt hem na. “Daar gaat ze,” denk je.
Jullie stapten tegelijk in. Je liep achter haar mooie lange haar aan, en ging tegenover haar zitten. Net iets te lang keek je haar aan. Een glimlach vormde zich om haar mond. Verlegen keek ze uit het raam.
Nu, dagen later, kun je haar gezicht maar niet vergeten. Vroeger, toen alles nog goed was, droomde je er nog eens over en werd je gedwongen haar te vergeten. Je sleept je getergde ziel mee terug naar het leven wat je had voor de ontmoeting. Nu, in de tijd dat men niet meer weet wat loslaten is, en altijd met elkaar in contact kan komen, heb je nog maanden dromen te gaan. De maatschappij van dwangmatig contact dwingt je tot een wanhoopsdaad: een oproepje plaatsen op een website, speciaal voor treinflirts.
De oproepers op deze site zouden eens flink wakker geschud moeten worden. Natuurlijk, flirten geeft je een goed gevoel. Het kan op dat moment lijken dat alle hemellichamen even op de juiste plaats staan. De seconden dat twee mensenlevens elkaar kruisen en elkaar even verkennen. Als de flirt genoeg deed met beide partijen, komt er een afspraak en wellicht een relatie uit voort. Is dit niet het geval, dan kabbelen de mensenlevens, na de verkenning, weer rustig verder. Heeft het dan zin om je af te zetten tegen dat lot?
Verliefd worden is een samenloop van omstandigheden. De charme zit hem juist in een toevallige ontmoeting. Je botst tegen elkaar op in de supermarkt. Hij of zij is degene die je al bewondert vanaf de basisschool. Jullie neefjes zitten op dezelfde voetbalclub. Een site om je flirt op te zoeken is daarom net zo dwangmatig als een datingsite.
Aan de andere kant, als je flirt dezelfde website bezoekt en zo jouw oproepje leest, is dat ook weer zo toevallig, dat je wederom kunt spreken van een speling van het lot.
Ik zie die jongen op het station, triest starend in de verte, naar de trein met het meisje dat hij nooit meer zal zien. Snel geef ik hem een lift naar het volgende station, want ik vind het toch een beetje zielig.


zondag 9 oktober 2011

Utrecht ik vind je mooi

Ik weet niet meer hoe dat tentje heette, waar ik zat. Zal wel iets van 'onder de Dom' heten ofzo. Ik noem het maar 'het Individu'. 
Je hebt van die café's waar mensen gezellig samen romantisch gaan eten, of met een groep, of met kinderen. Maar hier niet. Men zit voornamelijk alleen aan een tafeltje. Je ziet er van alles: laptoppers, krantenlezers, middelbareleeftijdsvrouwen met een witte wijn, nacho's en een tijdschrift, en natuurlijk hardwerkende studentes (ik), die dan af en toe dromerig uit het raam kijken, starend naar de mensen die voorbij wandelen of naar de mooie oude huizen in de binnenstad. Er bleef een exotisch uitziende man staan bij het raam en hij stond daar gewoon naar mij te kijken. Ik wist me totaal geen houding te geven en probeerde hem Nederlands weg te negeren. Toen ik eindelijk naar hem durfde te kijken, gaf hij me een stralende glimlach, waardoor ik toch licht grinnikte. Na dat kleine contact liep hij weer weg, en liet een stukje lichte droefheid achter. Om precies te zijn dacht ik toen ik zo dromerig staarde: "Hmm, hoe zou het zijn om in dat leuke mooie oude huisje onder de Dom te wonen met mijn vriend. Dan liep ik straks een trap op en dan lag hij daar op de bank een beetje TV te kijken, blij om mij te zien. Waarom ben ik daar eigenlijk zo bang voor? Freud zei dat er twee dingen zijn die mensen motiveert, onbewust, namelijk: seksuele driften en doodsangst. Volgens mij ben ik onbewust tijdens mijn leven wel vaak bezig met de dood. En maakt het mij bang om te settelen, omdat je dan je 'enige kans' in het leven verspeelt. Of zouden ook de onbewuste seksuele driften mij intuïtief vertellen dat ik nooit gelukkig zal zijn om het met één man te doen? We zijn en blijven mensen dus beesten, en zullen altijd, omdat onze cultuur dit van ons vraagt, moeten blijven vechten tegen onze natuur. Die Freud heeft daar de kern van het bestaan toch goed te pakken: seksuele driften en doodsangst. Al is het menselijk systeem nu eenmaal zo gebouwd dat het bewustzijn, het topje van de ijsberg, deze twee basiselementen van het bestaan verdoezelt. Onder de waterlijn liggen ze, dat is juist de overige negentig procent van die ijsberg, je hele onderbewuste, die je misschien alleen tegenkomt in je dromen of bij Freudiaanse versprekingen. De kern, dat grote deel van de ijsberg, je onderbewuste, allemaal omvat het de twee motivaties: seksuele driften en doodsangst. Doet mijn bewustzijn het soms niet goed, dat ik niet gewoon in de roes doormodder, zoals zoveel anderen doen? Of ligt mijn ijsberg in helder water, zodat ik kan spieken naar het onderbewuste, en zien waarop het hele menselijke bestaan is gebouwd. Freudiaans verklaard of niet, vastigheid blijft beangstigend.” Ik bleef zitten tot de schemer als een deken over de stad viel. Utrecht ik vind je mooi.

zaterdag 10 september 2011

Sex with someone I love

Van masturberen krijg je haren op je handen. Je krijgt er kanker van, schizofrenie en geelzucht. Seks is alleen om je voort te planten: Je laat door te masturberen toekomstig nageslacht letterlijk schieten. Toch? Hopelijk kun je deze feitjes die ons in vervlogen tijden wijsgemaakt werden krachtig ontkennen. Masturberen is juist gezond, het is goed voor je seksuele ontwikkeling. Door een orgasme krijg je een endorfineshot en kun je lekker ontspannen. Veel zoogdieren zoals apen, kangoeroe’s en olifanten masturberen ook en doen gezellig met ons mee. Mels van Driel, als uroloog en seksuoloog verbonden aan Universitair Medisch Centrum in Groningen, vertelt dat 100 procent van de mannen masturbeert tegenover 90 procent van de vrouwen. Iedereen doet het, maar niemand praat erover. Waarom is masturbatie zo’n gevoelig gespreksonderwerp, en dan vooral voor vrouwen? Er is toch helemaal niets mis mee? Zoals Woody Allen zegt: “Don’t knock masturbation; it’s sex with someone I love”.
Over de vraag waarom masturbatie vooral bij vrouwen zo’n taboe is ga ik in gesprek met Brigitte (22), Mark (19), Sofie (20) en Joris (23). Als ik Brigitte vraag naar haar solo-seksleven, reageert zij heel open. Brigitte: “Ja, ik masturbeer wel eens. Ik heb een speeltje, maar die gebruik ik alleen als ik snel klaar wil zijn. Ik ben er heel open over. Waarom veel meiden er niet over praten kan ik moeilijk begrijpen, misschien schamen ze zich.” Henriette Schoones, als seksuologe verbonden aan het ziekenhuis Rivierenland in Tiel, vertelt waar volgens haar die schaamte vandaan komt. “Dat heeft met verschillende dingen te maken. In de jaren vijftig werd er over masturbatie nog slecht gesproken.” Het was ook in deze tijd dat er manieren werden ontwikkeld om masturbatie te ‘genezen’: Geslachtsorganen werden behandeld met brandnetels, en kinderen werd verteld dat ze door te masturberen doof en blind konden worden. Schoones: “De belangrijkste schrikaanjager was natuurlijk de kerk.” De Kerk speelt in Nederland anno 2011 een veel minder grote rol dan in de jaren vijftig. Ook is tegenwoordig gelukkig niet meer het moraal dat masturberen ongezond is. “Maar het idee over masturberen als iets zondigs, waar je je schuldig over moet voelen, is gebleven. Ook tegen beter weten in.” aldus Schoones.  
Toch lijkt het erop dat mannen minder last hebben van dit zondige gevoel dan vrouwen, en er daarom makkelijker over praten. Joris: “We maken er grapjes over, maar je weet dat het serieus is. Dat is praten op een speelse manier. Echt serieuze gesprekken heb je met je beste vrienden. Wanneer doe je het, waar, en met welke gedachte. Mannen zijn heel open hoor, wat dat betreft.”
Veel van de gêne die vrouwen voelen als het om masturberen gaat, heeft te maken met de verwachtingen van hun partner. Zo kan het voor een jongen moeilijk te verkroppen zijn dat zijn vriendin, naast de bevrediging die ze bij hem krijgt, ook nog behoefte heeft aan seks met zichzelf. Mark: “Als je een vriend hebt, dan hoef je toch niet ook nog te vingeren? Ik bevredig haar toch, altijd als we seks hebben laat ik haar komen. Als zij ook nog met zichzelf speelt, lijkt het net of ik niet goed genoeg voor haar ben.” Door dit verwachtingspatroon wordt masturberen soms gezien als vreemdgaan met jezelf. Soms gebeurt het dan ook stiekem, en dat maakt het nog moeilijker om over te praten. Dat is jammer, want soms is zelfbevrediging naast je seksuele relatie juist de ideale oplossing. Sofie: “Ik geniet erg van seks met mijn vriend, maar het lukt me niet om een orgasme te krijgen bij het vrijen.” Voor deze vrouwen is masturberen de enige manier om een orgasme te krijgen.  
Ook kunnen de verwachtingen van de maatschappij meiden tegenhouden open te zijn over masturberen. De maatschappij bestempelt toch de vrouw met een zekere kuisheid, in ieder geval in het openbaar, als ideaal. Sofie: “Masturberen doe ik al sinds mijn twaalfde. Ik praat er liever niet over. Dan krijg ik het gevoel dat ze denken dat ik te veel van seks houd, en er geen genoeg van kan krijgen. Ik ben bang dat ze me dan een slet vinden.”
Bovendien komen vrouwen op een minder natuurlijke manier in aanraking met hun geslachtsdeel. Jongetjes komen die van hen al dagelijks tegen bij het plassen. Meisjes moeten echt op zoek gaan om erachter te komen hoe het er allemaal uitziet. “Vaak doen ze het niet en blijven ze hun geslachtsorgaan als iets vies en lelijks beschouwen.” legt Henriette Schoones uit.
            We kunnen dus zeggen dat, ondanks dat masturberen niet meer als duivels of ongezond wordt gezien, het vooral voor vrouwen moeilijk blijft om over zelfbevrediging te praten. De schaamte die zij hierbij voelen heeft meerdere mogelijke oorzaken: verwachtingen van de maatschappij en de partner, en de minder natuurlijke ontdekkingstocht in de puberteit in vergelijking met jongens.



donderdag 11 augustus 2011

Zus

Jouw mooie ogen schitteren als je vertelt over hoeveel zelfvertrouwen je kunt kweken op het moment dat je indruk wil maken op een man. Het is alsof je een knop kan omzetten, zeg je vrolijk jubelend. Je recht demonstratief je rug om me te laten zien hoe je dat dan doet. Om er nog een schepje bovenop te leggen spring je op en doe je het voor. “Kijk, het is net even het verschil tussen dit”, en je loopt zoals ik zou lopen, “en dit”. Je zet je breedste lach op, kijkt wat flirterig naar links en naar rechts, loopt met grotere en vooral ook hogere stappen door het café. Een man met halflang haar en een net pak kijkt even om, maar richt zich al snel weer op zijn biertje. Niemand lijkt je verder op te merken.
Als ik naar je kijk voel ik me soms net een uil, weet je dat? Ik observeer, en jij doet. Ik ben de camera, jij acteert. Alles neem ik in me op, ik voel de ruimte om me heen, de rumoerige stemmen die klinken en ik luister heus wel naar wat je vertelt. Terwijl je voorbij dendert, flitsen gedachten langs. Zijn gezicht kijkt me liefjes aan, terwijl hij tussen mijn benen ligt. Hij beweegt zachtjes heen en weer, en zijn roze blanke lichaam is warm en gloeit. Hij komt met zijn gezicht dichterbij en kust me zacht. Vroeger werd hij wel eens gepest met zijn volle lippen, maar ik kan me geen lippen bedenken heerlijker om te kussen dan deze. 
Denk je niet dat de meeste mensen naar de verkeerde versie van geluk streven? Naar een versie die misschien wel gefantaseerd is; een soort constant gevoel van euforie. Is geluk niet een kwestie van toedienen in delen, shotjes van geluk? Shotjes die soms een klein moment duren, en shotjes die je een paar minuten lang voeden? Daarna is het een kwestie van dorstig worden, en als dat gevoel te lang aanhoudt voelt men zich ongelukkig. Gewoon een shotje, zoals dat kleine momentje dat jij meemaakte toen je met Joachim was. Die seconden dat hij met zijn schitterende ogen naar je keek, met een blik vol ongeloof, omdat hij niet kon bevatten wat hij op dat moment voelde. Die minuten die je nu zo in de war maken, zo erg dat je zelf bijna niet gelooft dat het werkelijk heeft plaatsgevonden. Waarom zijn die shotjes van geluk niet genoeg, en blijven we verlangen naar een vol glas, als een verslaafde die aan één borrel niet genoeg heeft? Waarom zetten we niet gewoon het zojuist genuttigde shotglaasje van geluk met een klap op tafel, laten we een boer, en zeggen we, “Hè lekker, op naar de volgende!”
Jij bent een lust voor het oog, dat weet je toch? En je enthousiaste instelling en geweldige levenslust zijn ook niet mis. Voor mij is het moeilijk te geloven dat een jongen als Joachim geen interesse heeft in jou. Hoe een leuke krulletjes hij ook heeft.
Na het loopje plof je weer neer op je stoel. Je roert in je muntthee, kijkt hoe de blaadjes als zeewier in het hete water drijven, en slaat je wimpers op. Je ogen staan triest, zoals alleen mooie ogen triest kunnen staan. Waarom is het toch zoveel pijnlijker om ogen te zien met verdriet, als het hele mooie zijn? Die van jou verraden wat je hart je ingeeft: Ook als je met dit prachtige loopje langs hem heengaat,  zal hij je niet meer zien staan.
Nadat we elkaar gedag zeggen, voel ik net op het moment dat ik de trein instap, mijn mobiel trillen. Gauw spring ik de trein weer uit, loop door het felverlichte station naar buiten en kom hem tegemoet. “Joachim”, zeg ik zacht, en ik glimlach.

donderdag 7 april 2011

Puzzle me

Ik ben lief.
Ik ben open.
Ik ben sociaal.

Punt. Dat ben ik. Ik ben niet stout want ik ben lief. Ik ben niet gesloten want ik ben open. Ik ben niet eenkennig want ik ben sociaal.

Was het maar zo simpel. Bij de sollicitatieprocedure van mijn huidige werk moest ik een persoonlijkheidsanalyse invullen. Ik kreeg een blad voor mijn neus met allemaal karaktereigenschappen. Of ik even kruisjes wilde zetten bij de woorden die mij werkelijk beschrijven. Na ijverig kruizen, krassen, gummen en weer kruizen leverde ik mijn blad in en bleef ik lichtelijk verward achter. De woorden die ik had aangekruist kwamen nou niet bepaald samen in een harmonieus geheel.

Ik ben pittig en zachtaardig tegelijk. Dat kan, écht! Ik vind mezelf eigenzinnig, maar tegelijk heb ik diep in mij de behoefte om 'te zijn zoals iedereen'. Dan krijg ik even de nijging om de kudde in te springen. Daar ben ik gewoon te kritisch voor. Terwijl ik me toch goed kan aanpassen, waardoor ik dat kritische net zo makkelijk kan loslaten. Loslaten is een kunst die ik steeds meer onder de knie krijg, maar omdat ik een gevoelsmens ben wil ik me soms juist het liefst aan alles vastklampen. Lekker veilig tussen mensen om me heen. Ik hou van mensen, sociaal, dat ben ik wel. Hoewel, in een groep mensen word ik ook wel eens stil en heb ik zin om me als een slak terug te trekken in mijn huisje en met niemand praten.

Volgens mij zijn alle mensen als een puzzel, met een persoonlijkheid bestaande uit allemaal verschillende kleine stukjes. Als we al die puzzelstukjes op de vloer uitspreiden, kunnen we van deze stukjes een karakter maken. De puzzel is alleen compleet met stukjes die de linkerkant vormen én de stukjes die de rechterkant vormen. De puzzel kan alleen voltooid worden als er stukjes zijn met een uitstulpsel en stukjes met een inhammetje. De stukjes hebben verschillende kleuren, anders zou de puzzel, en dus het karakter, niets meer zijn dan een groot effen vlak. Juist die tegenstellingen zijn noodzakelijk om een afwisselend geheel, een compleet karakter, te kunnen vormen.

Wat klinkt dat lekker logisch. Ik hou van logisch. Ik hou van rijtjes, vakjes, categorieën, hokjes, en dat alles daar dan in past. Maar van déze hokjes, kruis ik er lekker geen één aan. Je kunt ze niet eenstemmig invullen, een karakter is niet harmonieus te definiëren.

Ik bedoel maar. Maar nu, nu heb ik trek. Ik ga aardbeitjes met slagroom eten, ha!

vrijdag 1 april 2011

De plekken van verlies

Die hond snurkt als een volwassen man. Niet gek ook, met een gewicht van ruim tachtig kilo. Zijn grote lichaam beweegt langzaam omhoog en weer naar beneden. Elke uitademing gaat gepaard met een borrelend geluid uit zijn neus. Ontspannen ligt hij in zijn hoek. Slapen, ademen, snurken. Meer gebeurt er niet. De rand van het bad waar ik op zit is te hard, ik voel dat er al minder bloed stroomt naar mijn rechterbeen. Prikkelend doet het een poging mij erop te wijzen dat ik anders moet gaan zitten. Stug negeer ik het. Ik voel me krachtig. Volhouden, denk ik.
Lauri en ik, we gingen samenwonen ergens midden in September. De kleurige bladeren op de parkeerplaats verwelkomden ons. Omdat er geen lift was droegen we, samen met onze vrienden, alle spullen naar boven. Eenmaal boven liepen we over de galerij naar de laatste deur. Een donkerpaarse, zonder brievenbus. Groot was het niet achter de deur. Het bleek dat onze grote honden alle ruimte in beslag namen. Ach ja, wat kon ons het ook schelen. We hadden een plekje dat we de onze konden noemen. In de eerste dagen die we in onze flat doorbrachten was de wereld zo klein. Natuurlijk moesten de honden een paar keer per dag naar buiten, maar daarnaast werd de deur alleen geopend voor de lokale pizzakoerier. We stonden vroeg op, schilderden, plamuurden, legden laminaat, aten tussendoor geroosterde boterhammen op het balkon. 's Avonds vreeën we, waarna we in slaap vielen tussen de dekens en kussens die we in de woonkamer hadden uitgestald, gezien de slaapkamer nog niets anders was dan oude vloerbedekking van de vorige bewoners en wat afbladderende verf. Mijn wereld paste tussen twee armen.

Mijn rechtervoet begint nu heet te worden. Ik zucht en laat me van de rand van het bad zakken op de grond. Daar blijf ik zitten met gestrekte benen. Het bloed verspreid zich langzaam weer door mijn hele been. Ik voel het koude bad tegen mijn rug aan en poets mijn tanden driftig verder. Dan laat ik mijn hoofd zakken op de rand van het bad. Ik richt mijn ogen op het dak. Ik kijk wel, maar ik zie niets. Omdat ik me bijna verslik sta ik op. Met mijn tandenborstel in mijn hand loop ik naar de wasbak. Ik open de kraan. Warm, koud, nee toch maar warm. Terwijl ik vooroverbuig om een slok te nemen kijk ik in de wasbak. Bloed, alweer. Ik spoel mijn mond en kom weer omhoog. Ik staar naar het spiegelbeeld. De rimpels op het gezicht in de spiegel verraden stuk voor stuk de lentes die voorbij zijn gegaan. Het doet me denken aan de jaarringen van een boom. Bomen worden hoe ouder hoe groter. En hoe meer jaren er verstrijken, hoe trotser ze lijken te staan. Konden mensen de jaren maar met wat meer trots dragen. Elke rimpel, elke kreukel staat, net als de jaarringen van een boom, voor een leeftijd: een geleefde tijd. Een tijd dat je hebt mogen leven. Een tijd dat je nog niet bent opgelost in het niets. Ik streel met mijn vingertoppen langs het gezicht in de spiegel. De huid voelt zacht en dun. Ik ga met mijn vingers langs de lippen. De lippen zijn smaller dan voorheen. Een spitse neus. Ik steun met mijn handen op de wasbak en leg mijn blik opnieuw op het spiegelbeeld. Daar, boven het midden van het gezicht, twee glanzende parels, omringd door zwarte wimpers en twee bosjes van dunne takjes lijkt het, de lijnen van de ogen naar de slapen. De blik in de ogen van het gezicht is leeg. Maar de ogen zelf, de kleuren zijn zo helder. Het overheersende wit, het mengsel van blauw, grijs en groen van de iris, het zwarte randje er omheen en de zwarte kern, de pupil. Zie daar, ogen hebben eeuwige jeugd. Deze ogen zagen mijn eerste dag, ze zien mijn laatste.
Ze zagen zijn lijden. Ze registreerden nauwkeurig elke gebeurtenis, van de diagnose tot zijn afglijden in het niets.

Voorheen voelde ik een steek van verlangen als ik aan Lauri dacht. In mijn buik, onderin. Wat zou het mooi zijn om nu bij hem te kunnen zijn, dacht ik dan. Het voelde als een mogelijkheid. Ik hoefde maar de galerij over te lopen en de paarse voordeur te openen en ik zou bij hem zijn. Ik zou naast hem in ons bed kruipen, onder de dekens, dicht tegen hem aan gaan liggen. Toch maar niet dood, toch maar leven, terug, kom vluchten in mijn armen, nee ga maar niet weg.
Die stekende pijn heeft zich laten vervangen. Blijkbaar had het mij niets meer te vertellen en is het er vandoor gegaan. Het beurse plekje is naar boven geschuifeld. Vlak boven mijn hart is het gaan zitten. Ik leg mijn hand boven mijn linkerborst op de plek en ik voel mijn hart zachtjes kloppen.
De herinneringen zijn zo levendig. Zijn gezicht, ik zie alle vormen voor me. Ik weet hoe zijn huid op zijn wangen en in zijn nek voelt als ik die met mijn lippen aanraak. Ik voel elke welving van zijn lichaam alsof mijn handen er op dat moment langsglijden.
In de spiegel zie ik dat de hond achter me ontwaakt. Hij staat op en zet een paar stappen in mijn richting. Ik draai me om en kniel bij hem neer. Ik kijk het beest in zijn ogen en voel een sterke verbintenis. Samen zagen onze ogen als enige Lauri's laatste dagen. Ik open de deur, stap over de drempel en zet het licht uit. De hond achter me ploft neer in zijn hoek en slaakt een diepe zucht.

maandag 28 februari 2011

De Grens

Mari speelt een spelletje. Ze staat voor de spiegel en streelt haar lichaam. Dit lichaam zorgt ervoor dat ze bestaat. Er is altijd die mogelijkheid, de mogelijkheid om te sterven. Ze zou alleen maar in haar polsen hoeven snijden en ze zou sterven. Haar lichaam vormt de grens tussen leven en dood. Dit spelletje speelt ze al zo lang ze zich kan heugen. Gewoon een onschuldig spelletje. Ze fantaseert hoe ze zal sterven. Hoe haar familie zal reageren. Wat ze over haar zullen zeggen op haar begrafenis.

Bij Julian, haar leraar Fins, voelt ze zich levend. Alles wat ertoe doet valt samen. Betekenis doet er niet meer toe. Als Julian haar neemt voelt ze zich vrouw. "Nu ben ik dus vrouw, zo voelt het om een vrouw te zijn", denkt ze. "Een vrouw naar wie een man verlangt, meer dan naar wat dan ook." 

Als Julian afstand neemt, verminkt ze zichzelf. Ze wordt gekweld door onbeantwoorde verlangens. Ze wil zo graag iemand zijn die ertoe doet. Terwijl het mes in haar vlees snijdt, voelt ze de verzachtende pijn. Er is altijd nog die mogelijkheid. 
Mari speelt met de gedachte dat ook jonge meisjes kunnen sterven. De meisjes die gewoon 'tot ziens' zeggen, de deur achter zich dichttrekken, en, alsof het een stomme toevalligheid is, het leven uitstappen. 

"Houd van me", zegt ze tegen Julian. "Red me, of dood me"

Ze staat op de leuning van de brug boven de rivier. Ze kijkt naar haar voeten. Alles wat ze nu hoeft te doen is wankelen, ze hoeft niet eens de beslissing te nemen, ze hoeft alleen maar te wankelen en het lot zal zichzelf bezegelen. 
Als Julian bij de rivier aankomt, staat Mari er niet meer. 

Mari is één van de personages uit de debuutroman "De grens" van Riikka Pulkkinen. Ik vond Mari een intrigerend en bijzonder personage. 
Vooral het spelletje dat zij met de dood speelt, elke dag. De troost die zij vindt in het idee dat er altijd de mogelijkheid is te sterven. De gekweldheid die zij op zestienjarige leeftijd al voelt. De druk die het bestaan op haar legt. Haar verlangen om te leven, lief te hebben, een vrouw te zijn. Haar tragische gedachtegang. 


* Mocht je overigens het boek nog willen lezen: 'Als Julian bij de rivier aankomt, staat Mari er niet meer', is nog niet de ontknoping. 

zaterdag 26 februari 2011

Thuis

thuis zoek ik in mijn gedachten
landen op die ene plek
dat alles overstijgen kan
niet volmaakt maar zo mooi anders
dat je met je vrijheid flirten mag
en dan toch weer veilig terug
thuis past tussen twee armen

De blonde dood

Wat vreselijk dat Antonie Kamerling is overleden.. vooral voor zijn nabestaanden, want hijzelf heeft er vrede mee, het was tenslotte wel zijn eigen keuze om uit het leven te stappen”. Betrapte jij jezelf op deze gedachte vanmorgen toen je hoorde dat Antonie zelfmoord heeft gepleegd?

Begrijpelijk is deze reactie, maar misschien had je nog even een slinger moeten geven aan het rad van jouw denken.

Als iemand overlijdt aan kanker zeggen we: Hij is overleden aan kanker. Als iemand overlijdt aan een hersenbloeding zeggen we: Hij is overleden aan een hersenbloeding. Als iemand overlijdt aan een hartaanval zeggen we: Hij is overleden aan een hartaanval. Maar als iemand overlijdt aan een depressie, waarom zeggen we dan: Hij heeft zelfmoord gepleegd? Alsof hij het expres gedaan heeft, alsof hij er voor gekozen heeft om niet meer te leven. Nee, daar heeft hij niet voor gekozen, er was namelijk geen keuze. Geen andere uitweg dan te sterven.

Antonie Kamerling heeft zelfmoord gepleegd, omdat hij depressief was. Depressie is een ziekte. Een depressie is een stemmingsstoornis die zich kenmerkt door een verlies van levenslust of een zwaar terneergeslagen stemming. In het normale spraakgebruik wordt de term 'depressief' vrij snel gebruikt voor een toestand waarin iemand zich een beetje depressief voelt. Zegt de vrije encyclopedie.

Ik rol me ook wel eens op als een foetus om in mijn bedje te gaan liggen huilen. Ik word ook wel eens overvallen door gedachten met zingevingsvragen. Waarom lopen we hier allemaal rond op aarde, wat is het doel van dit alles? Maar als ik daarna in de auto stap om naar mijn werk te rijden, met Wild fm keihard aan, waaien die gedachten ook langzaam weer uit mijn hoofd. En ga ik weer door met mijn leven, hoe doelloos misschien ook. Vergis je niet, iemand die lijdt aan de ziekte depressie, kan niet zomaar verdergaan alsof er niets aan de hand is.

Denk nou niet, hij liet zijn vrouw en kindjes in de steek, en stel jezelf nou niet gerust met gedachten als: hij wilde het zelf. Nee. Hij was ziek, ongeneeslijk ziek, net zo ziek als ieder ander met een levensbedreigende diagnose. Aan zijn ziekte is hij overleden.

I had a dream

Het gekke gevoel blijft aanhouden. Ik dacht eerst dat het kwam door de warme zomer, maar mijn lichaam stopt niet met zweten. Gelegen op mijn rug in de schaduw tast ik met mijn hand rechts van me. Waar is mijn telefoon? Langzaam breng ik mijn handen naar mn ogen. Ik wrijf de slaap eruit, en draai vermoeid mijn hoofd naar mijn nachtkastje.

Mijn hart slaat over. Mijn longen vullen zich snel met lucht. Mijn hartslag gaat omhoog. Ik schrik. Mijn hand is bruin, donkerbruin. En zo ook mijn arm, mijn buik, mijn benen, mijn hele lijf. En er is geen nachtkastje.

Onder een boom lig ik. Om me heen dorre vlakten, een enkele boom. De lucht is helderblauw. De zon is wit zo fel, en straalt op zn hardst. Ik zie wat hutjes, in de vorm van paddestoelen. Een soort lage, brede paddestoelen. Met een rieten dakje en een muur van mest en modder.

Een horde mensen komt aanlopen. Ze maken veel geluid, praten door elkaar. Iedereen draagt felgekleurde kleden. Niemand heeft lang haar, ze zijn allemaal kaal of gemillimeterd.

Iedereen is mager. Toch lachen de meeste mensen, met opvallend mooie witte tanden.
Ik zie een vrouw met een emmer water. Achter haar staat een waterput. Ze houdt het water boven haar hoofd. Haar vermoeide blik steekt in mijn hart. Ze kijkt doelgericht, overal doorheen. Standvastig, maar toch doodmoe. Plots vergroten haar ogen zich en ze glimlacht. Ze lijkt iets te zien.

Het zijn wat mannen, ze komen terug van de jacht. Trots dragen ze een grote gazelle op hun schouders. Met hun blote voeten lopen ze over de prikkelige grond. Het zweet druppelt langs hun hoofd naar beneden, hun doeken zijn doorweekt. Achter hen loopt over het dorre gras een lange sliert bloed. Tussen de hutten door lopen ze naar een open plek.

Bij een van de hutten zit een klein meisje. Ze kietelt met een takje de blote voetjes van haar broertje. Haar shirt hangt aan haar arm, waarbij haar schouder ontbloot. Haar broertje draagt alleen een klein broekje en een doek op zijn hoofdje tegen de zon. Al zijn botten zijn te zien. Bij elke beweging lijken ze door zijn huid te priemen. Beide kinderen lachen luid.

Een van hen wordt geroepen door de vrouw met de emmer water. Het jongetje rent naar haar toe en tilt de twee witte jerrycans met water op. Dezelfde uitdrukking als zijn moeder krijgt hij. Star, vermoeid, maar toch trots.

Het meisje springt op en holt een hutje in. In dat hutje zit de medicijnman gehurkt in een hoekje. Hij is heel oud, zijn rimpels diep. Hij is geleefd. Naast hem ligt een vrouw plat op de grond. Met zijn handen maakt hij een bezwerende beweging. Ik zie zijn schrale lippen wat woorden mompelen. De vrouw kijkt vol vertrouwen naar de medicijnman. Ze sluit haar ogen en hij legt zijn hand op haar voorhoofd.

Hij kijkt naar buiten, de hemel in, ik volg zijn blik.

.. met bividis actie-regularis cultuur, voor een verbeterde stoelgang!” roept de vrouw van het water plots opgewekt. Ze tovert uit de emmer allemaal pakken Activia tevoorschijn.
De medicijnman rent het hutje uit en haalt uit zijn koffertje Revitalift van L’oreal, en Beauty Cream Oil van Nivea. “Voor een zachtere, stralende huid”, zegt hij breed grijnzend tegen de liggende mevrouw. “En als u wil kan ik best wat van uw dijen wegzuigen hoor. De borsten zijn ook geen probleem, en bovendien denk ik dat u toe bent aan een iets vollere bovenlip”.
De mannen die de gazelle weggebracht hebben komen terug in een Lamborghini Murcéalago, zo’n knalgroene. “Go shorty, it’s ya birthday” dreunt er uit de speakers.

Het jongetje van de jerrycans rent op zijn vader af, die achter het stuur zit. “Papa, mag ik een nieuw stemmetje uitkiezen voor de TomTom?” Zijn vader staart echter vanachter zijn dikke zonnebril in de verte.
Paaaap!” roept het kleine meisje van de takjes enthousiast. “Kijk eens hoe tante Deborah er uit ziet!” Tante Deborah staat tevreden naast de medicijnman, met haar nieuwe borsten.

Plots komt het meisje naar mij toe. Ze buigt zich over me heen en kijkt zorgelijk. “Ier?” zegt ze. “Kom eens bij me liggen poepie.” Ze komt steeds dichterbij en met haar grote bruine ogen lijkt ze door me heen te gaan. Ze komt zo dichtbij dat ik alleen maar haar bruine ogen zie.

Dan zijn het de ogen van mijn vriend. Hij zegt nog eens: “Kom eens bij me liggen?” en dat doe ik dan maar. Hij slaat zijn beschermende armen om me heen en ik kroel dicht tegen hem aan.

Met een lichte siddering denk ik terug aan mijn droom. Wat een tegenstellingen, tussen daar en hier. Hoe relatief is het eigenlijk, in welk lichaam je geboren word? Ik had net zo goed de vrouw kunnen zijn van het water. Zij had net zo goed mij kunnen zijn, knus in bed, en wetend dat straks schoon water stroomt in één handbeweging. We zijn allebei evenveel mens, we zijn allebei geboren en we gaan allebei dood.

Als je dat goed beseft, voel je hoe belangrijk het eigenlijk is om iets te doen voor mensen die het slechter hebben.
Die vrouw met het water, en ik hier in Nederland. Als wij nou eens een verbintenis aan zouden gaan. Ik zorg voor haar, zij helpt mij waar ze kan. Zij stuurt mij typisch Afrikaanse kruiden, planten, vruchten, of misschien iets kunstigs. En ik stuur haar eens wat geld, wat kleren, wat eten, wat speelgoed voor haar kinderen.

Stel je nu eens voor! Ieder individu gaat een verbintenis aan met een ander, zodat er duo’s ontstaan. Iedereen zorgt voor iemand anders. Niemand meer alleen, niemand in de steek gelaten, altijd iemand om op terug te vallen. Arm en rijk, samen.

Mannen en vrouwen met roze billen

Ik heb me altijd al afgevraagd waarom vrouwen en mannen toch zo anders zijn. Laatst las ik een super interessant artikel dat zorgde voor een werkelijke openbaring. Vriend en ik hebben vaak van die man-vrouw momentjes waarbij een van ons de wenkbrauwen eens flink ophaalt, of erger. Het antwoord op dit alles wortelt zich in onze Oerkracht.
Onze Oereigenschappen ontstonden toen man en vrouw, sociaal als ze zijn, in de oertijd gingen samenwonen. En als ik zeg oertijd, bedoel ik echt oe-oer-oeeertijd, want we wonen nu al zo’n 3 miljoen jaar samen.
Mannen en vrouwen zijn verschillend geworden op dezelfde manier als dat een baviaan roze billen heeft gekregen. Klinkt misschien raar, maar door natuurlijke selectie (zie Darwin) hebben de hersenen van mannen en vrouwen zich zodanig aangepast dat er twee wezens zijn ontstaan met zeer uiteenlopende eigenschappen.

De mannen met de grootste overlevingskans, de ‘fittest’, de übermannen, hadden eigenschappen om goed te kunnen jagen. Diezelfde eigenschappen sieren nu nog onze medeman. Denk hierbij aan: Concentreren op lange termijn-doelen (is er ook nog wel genoeg bier voor mórgen?), bezighouden met één probleem (dus niet kunnen luisteren tijdens het kijken van voetbal), en een goede ruimtelijke oriëntatie (verdomd goed inparkeren).

Vrouwen hielden zich in de oertijd al met heel andere dingen bezig. De vrouw moest aan verschillende dingen tegelijk kunnen denken, en goed kunnen organiseren. Het was de taak van de vrouw om de groep in de gaten te houden, en op alle gevaren van buitenaf te letten. Ze specialiseerde zich in sociale organisatie en communicatie. Ook deze eigenschappen zijn goed geconserveerd in het vrouwenbrein.
Door mijn openbaring tijdens het lezen van het artikel bleef ik nu meer plezier aan de man-vrouw momentjes van mij en Vriend. Ook al is hij er soms niet zo blij mee.
Ik kan me namelijk wel voorstellen dat Vriend het niet leuk vind dat hij niet ongemerkt naar een andere vrouw kan kijken. Ik heb dat namelijk áltijd door.
We lopen dan samen op straat, hand in hand, op ons roze wolkje, en er komt zo’n schoonheid voorbij denderen. Ik zie haar al van een afstand aan komen huppelen, vooral herkenbaar aan wapperende haren en wiebelende borsten. Onbewust activeer ik dan mijn kijken-of-hij-kijkt-radar .
Vriend probeert dan ongemerkt een blik te werpen op de schoonheid die ons tegemoet komt. Na één oogwenk denk ik al: Pas je op dat je ogen er niet uitvallen?
Als ik er dan wat van zeg voelt hij zich vaak betrapt en vraagt hij met grote ogen hoe ik het voor elkáár krijg. Ik glimlach dan voldaan.
Voortaan zeg ik, als hij inmiddels lichtelijk geïrriteerd voor de zoveelste keer merkt dat ik álles zie: “Schatje, daar kan ik niets aan doen. Dat is slechts mijn oer-eigenschap.” Mannen hebben nu eenmaal een beperkter blikveld dan vrouwen. Mannen kijken gericht (denk aan het jagen, waarbij het belangrijk was om op één ding te letten), en dat maakt het overduidelijk waar de man naar kijkt. De vrouw heeft juist een breed blikbeld (ze moest immers op de groep letten, en de gevaren goed in de gaten houden), en de vrouw ziet dan onmiddelijk waar de man naar kijkt.
Het mooiste is nog wel dat een vrouw naar hartenlust naar mooie mannen kan kijken, zonder dat haar man het doorheeft.
Deze oerkracht borrelt ook op als we samen TV kijken. Hij probeert stiekem allerlei zaken uit zijn neus te halen of hij kijkt al verschrikt op, als ik zeg: “Zit niet in je neus!" Weer die verbaasde twinkeloogjes, heerlijk.
Die twinkeloogjes twinkelen ook wel eens kwaad. Zoals het moment suprème van de maand: het openen van de telefoonrekening. Argumenten als “Ja maar, Nadine is gedumpt door haar vriend, en mama was ziek, en ik had Jolanda al zo lang niet gesproken” helpen niet meer. Eigenlijk alles wat je achter de Ja maar plaatst. Vriend is boos.
Maar eigenlijk is het zo gek nog niet dat vriend boos is. Vriend stamt van oermannen die communicatie puur gebruikten voor snelle en efficiënte mededelingen. De genen in zijn hele lichaam gaan stuiteren bij het zien van die rekening. “Niet zoveel praten over niets!” roepen die genen.
Ach, je kan het hem ook niet kwalijk nemen. Vriend was er zelf niet bij, in de oertijd. Toen die vrouwen elk lid van de groep in de gaten moesten houden door middel van woorden en lichaamstaal. Met haar brede blikveld hield ze de gemoedstoestand van elk invidu in de gaten. Als een echte moeder. Als hij het wist, zou hij wel begrijpen dat al die telefoongesprekken pure noodzaak waren.
Toch zullen we op een gegeven moment deze oer-eigenschappen niet meer als vrijbrief kunnen gebruiken voor onze man-vrouw momentjes. Er is in deze tijd geen sprake meer van natuurlijke selectie van eigenschappen die nodig zijn voor jacht of het bemoederen van een groep. Ook mannen met voorliefde voor Sex and the City, balletdansen en andere vrouwelijke eigenschappen die misschien wat minder nuttig zijn bij de jacht, planten zich voort. Net als vrouwen die goed kunnen inparkeren, en die een lang gesprek niet kunnen harden.

Ik hoop alleen niet dat het allemaal uit de hand loopt. Dat wij als vrouwen ineens al dat gezeur over ons heen krijgen, dat we niet luisteren, dat we meer emoties moeten tonen, en dat we ons eens wat minder moeten bezighouden met auto's, vrouwen en voetbal.
Dat mannen steeds zelfstandiger worden en roepen dat ze zonder vrouwen kunnen, een soort omgekeerde emancipatie.

Nouja, die Baviaan heeft anno nu nog steeds roze billen, dus zo'n vaart zal het niet lopen.

Gouwe ouwe

Eindelijk heb ik ook een blog!
Om te beginnen maar eens een paar gouwe ouwe blogs van mijn hyves toevoegen.