donderdag 7 april 2011

Puzzle me

Ik ben lief.
Ik ben open.
Ik ben sociaal.

Punt. Dat ben ik. Ik ben niet stout want ik ben lief. Ik ben niet gesloten want ik ben open. Ik ben niet eenkennig want ik ben sociaal.

Was het maar zo simpel. Bij de sollicitatieprocedure van mijn huidige werk moest ik een persoonlijkheidsanalyse invullen. Ik kreeg een blad voor mijn neus met allemaal karaktereigenschappen. Of ik even kruisjes wilde zetten bij de woorden die mij werkelijk beschrijven. Na ijverig kruizen, krassen, gummen en weer kruizen leverde ik mijn blad in en bleef ik lichtelijk verward achter. De woorden die ik had aangekruist kwamen nou niet bepaald samen in een harmonieus geheel.

Ik ben pittig en zachtaardig tegelijk. Dat kan, écht! Ik vind mezelf eigenzinnig, maar tegelijk heb ik diep in mij de behoefte om 'te zijn zoals iedereen'. Dan krijg ik even de nijging om de kudde in te springen. Daar ben ik gewoon te kritisch voor. Terwijl ik me toch goed kan aanpassen, waardoor ik dat kritische net zo makkelijk kan loslaten. Loslaten is een kunst die ik steeds meer onder de knie krijg, maar omdat ik een gevoelsmens ben wil ik me soms juist het liefst aan alles vastklampen. Lekker veilig tussen mensen om me heen. Ik hou van mensen, sociaal, dat ben ik wel. Hoewel, in een groep mensen word ik ook wel eens stil en heb ik zin om me als een slak terug te trekken in mijn huisje en met niemand praten.

Volgens mij zijn alle mensen als een puzzel, met een persoonlijkheid bestaande uit allemaal verschillende kleine stukjes. Als we al die puzzelstukjes op de vloer uitspreiden, kunnen we van deze stukjes een karakter maken. De puzzel is alleen compleet met stukjes die de linkerkant vormen én de stukjes die de rechterkant vormen. De puzzel kan alleen voltooid worden als er stukjes zijn met een uitstulpsel en stukjes met een inhammetje. De stukjes hebben verschillende kleuren, anders zou de puzzel, en dus het karakter, niets meer zijn dan een groot effen vlak. Juist die tegenstellingen zijn noodzakelijk om een afwisselend geheel, een compleet karakter, te kunnen vormen.

Wat klinkt dat lekker logisch. Ik hou van logisch. Ik hou van rijtjes, vakjes, categorieën, hokjes, en dat alles daar dan in past. Maar van déze hokjes, kruis ik er lekker geen één aan. Je kunt ze niet eenstemmig invullen, een karakter is niet harmonieus te definiëren.

Ik bedoel maar. Maar nu, nu heb ik trek. Ik ga aardbeitjes met slagroom eten, ha!

vrijdag 1 april 2011

De plekken van verlies

Die hond snurkt als een volwassen man. Niet gek ook, met een gewicht van ruim tachtig kilo. Zijn grote lichaam beweegt langzaam omhoog en weer naar beneden. Elke uitademing gaat gepaard met een borrelend geluid uit zijn neus. Ontspannen ligt hij in zijn hoek. Slapen, ademen, snurken. Meer gebeurt er niet. De rand van het bad waar ik op zit is te hard, ik voel dat er al minder bloed stroomt naar mijn rechterbeen. Prikkelend doet het een poging mij erop te wijzen dat ik anders moet gaan zitten. Stug negeer ik het. Ik voel me krachtig. Volhouden, denk ik.
Lauri en ik, we gingen samenwonen ergens midden in September. De kleurige bladeren op de parkeerplaats verwelkomden ons. Omdat er geen lift was droegen we, samen met onze vrienden, alle spullen naar boven. Eenmaal boven liepen we over de galerij naar de laatste deur. Een donkerpaarse, zonder brievenbus. Groot was het niet achter de deur. Het bleek dat onze grote honden alle ruimte in beslag namen. Ach ja, wat kon ons het ook schelen. We hadden een plekje dat we de onze konden noemen. In de eerste dagen die we in onze flat doorbrachten was de wereld zo klein. Natuurlijk moesten de honden een paar keer per dag naar buiten, maar daarnaast werd de deur alleen geopend voor de lokale pizzakoerier. We stonden vroeg op, schilderden, plamuurden, legden laminaat, aten tussendoor geroosterde boterhammen op het balkon. 's Avonds vreeën we, waarna we in slaap vielen tussen de dekens en kussens die we in de woonkamer hadden uitgestald, gezien de slaapkamer nog niets anders was dan oude vloerbedekking van de vorige bewoners en wat afbladderende verf. Mijn wereld paste tussen twee armen.

Mijn rechtervoet begint nu heet te worden. Ik zucht en laat me van de rand van het bad zakken op de grond. Daar blijf ik zitten met gestrekte benen. Het bloed verspreid zich langzaam weer door mijn hele been. Ik voel het koude bad tegen mijn rug aan en poets mijn tanden driftig verder. Dan laat ik mijn hoofd zakken op de rand van het bad. Ik richt mijn ogen op het dak. Ik kijk wel, maar ik zie niets. Omdat ik me bijna verslik sta ik op. Met mijn tandenborstel in mijn hand loop ik naar de wasbak. Ik open de kraan. Warm, koud, nee toch maar warm. Terwijl ik vooroverbuig om een slok te nemen kijk ik in de wasbak. Bloed, alweer. Ik spoel mijn mond en kom weer omhoog. Ik staar naar het spiegelbeeld. De rimpels op het gezicht in de spiegel verraden stuk voor stuk de lentes die voorbij zijn gegaan. Het doet me denken aan de jaarringen van een boom. Bomen worden hoe ouder hoe groter. En hoe meer jaren er verstrijken, hoe trotser ze lijken te staan. Konden mensen de jaren maar met wat meer trots dragen. Elke rimpel, elke kreukel staat, net als de jaarringen van een boom, voor een leeftijd: een geleefde tijd. Een tijd dat je hebt mogen leven. Een tijd dat je nog niet bent opgelost in het niets. Ik streel met mijn vingertoppen langs het gezicht in de spiegel. De huid voelt zacht en dun. Ik ga met mijn vingers langs de lippen. De lippen zijn smaller dan voorheen. Een spitse neus. Ik steun met mijn handen op de wasbak en leg mijn blik opnieuw op het spiegelbeeld. Daar, boven het midden van het gezicht, twee glanzende parels, omringd door zwarte wimpers en twee bosjes van dunne takjes lijkt het, de lijnen van de ogen naar de slapen. De blik in de ogen van het gezicht is leeg. Maar de ogen zelf, de kleuren zijn zo helder. Het overheersende wit, het mengsel van blauw, grijs en groen van de iris, het zwarte randje er omheen en de zwarte kern, de pupil. Zie daar, ogen hebben eeuwige jeugd. Deze ogen zagen mijn eerste dag, ze zien mijn laatste.
Ze zagen zijn lijden. Ze registreerden nauwkeurig elke gebeurtenis, van de diagnose tot zijn afglijden in het niets.

Voorheen voelde ik een steek van verlangen als ik aan Lauri dacht. In mijn buik, onderin. Wat zou het mooi zijn om nu bij hem te kunnen zijn, dacht ik dan. Het voelde als een mogelijkheid. Ik hoefde maar de galerij over te lopen en de paarse voordeur te openen en ik zou bij hem zijn. Ik zou naast hem in ons bed kruipen, onder de dekens, dicht tegen hem aan gaan liggen. Toch maar niet dood, toch maar leven, terug, kom vluchten in mijn armen, nee ga maar niet weg.
Die stekende pijn heeft zich laten vervangen. Blijkbaar had het mij niets meer te vertellen en is het er vandoor gegaan. Het beurse plekje is naar boven geschuifeld. Vlak boven mijn hart is het gaan zitten. Ik leg mijn hand boven mijn linkerborst op de plek en ik voel mijn hart zachtjes kloppen.
De herinneringen zijn zo levendig. Zijn gezicht, ik zie alle vormen voor me. Ik weet hoe zijn huid op zijn wangen en in zijn nek voelt als ik die met mijn lippen aanraak. Ik voel elke welving van zijn lichaam alsof mijn handen er op dat moment langsglijden.
In de spiegel zie ik dat de hond achter me ontwaakt. Hij staat op en zet een paar stappen in mijn richting. Ik draai me om en kniel bij hem neer. Ik kijk het beest in zijn ogen en voel een sterke verbintenis. Samen zagen onze ogen als enige Lauri's laatste dagen. Ik open de deur, stap over de drempel en zet het licht uit. De hond achter me ploft neer in zijn hoek en slaakt een diepe zucht.