Die hond snurkt als een volwassen man. Niet gek ook, met een gewicht van ruim tachtig kilo. Zijn grote lichaam beweegt langzaam omhoog en weer naar beneden. Elke uitademing gaat gepaard met een borrelend geluid uit zijn neus. Ontspannen ligt hij in zijn hoek. Slapen, ademen, snurken. Meer gebeurt er niet. De rand van het bad waar ik op zit is te hard, ik voel dat er al minder bloed stroomt naar mijn rechterbeen. Prikkelend doet het een poging mij erop te wijzen dat ik anders moet gaan zitten. Stug negeer ik het. Ik voel me krachtig. Volhouden, denk ik.
Lauri en ik, we gingen samenwonen ergens midden in September. De kleurige bladeren op de parkeerplaats verwelkomden ons. Omdat er geen lift was droegen we, samen met onze vrienden, alle spullen naar boven. Eenmaal boven liepen we over de galerij naar de laatste deur. Een donkerpaarse, zonder brievenbus. Groot was het niet achter de deur. Het bleek dat onze grote honden alle ruimte in beslag namen. Ach ja, wat kon ons het ook schelen. We hadden een plekje dat we de onze konden noemen. In de eerste dagen die we in onze flat doorbrachten was de wereld zo klein. Natuurlijk moesten de honden een paar keer per dag naar buiten, maar daarnaast werd de deur alleen geopend voor de lokale pizzakoerier. We stonden vroeg op, schilderden, plamuurden, legden laminaat, aten tussendoor geroosterde boterhammen op het balkon. 's Avonds vreeƫn we, waarna we in slaap vielen tussen de dekens en kussens die we in de woonkamer hadden uitgestald, gezien de slaapkamer nog niets anders was dan oude vloerbedekking van de vorige bewoners en wat afbladderende verf. Mijn wereld paste tussen twee armen.
Mijn rechtervoet begint nu heet te worden. Ik zucht en laat me van de rand van het bad zakken op de grond. Daar blijf ik zitten met gestrekte benen. Het bloed verspreid zich langzaam weer door mijn hele been. Ik voel het koude bad tegen mijn rug aan en poets mijn tanden driftig verder. Dan laat ik mijn hoofd zakken op de rand van het bad. Ik richt mijn ogen op het dak. Ik kijk wel, maar ik zie niets. Omdat ik me bijna verslik sta ik op. Met mijn tandenborstel in mijn hand loop ik naar de wasbak. Ik open de kraan. Warm, koud, nee toch maar warm. Terwijl ik vooroverbuig om een slok te nemen kijk ik in de wasbak. Bloed, alweer. Ik spoel mijn mond en kom weer omhoog. Ik staar naar het spiegelbeeld. De rimpels op het gezicht in de spiegel verraden stuk voor stuk de lentes die voorbij zijn gegaan. Het doet me denken aan de jaarringen van een boom. Bomen worden hoe ouder hoe groter. En hoe meer jaren er verstrijken, hoe trotser ze lijken te staan. Konden mensen de jaren maar met wat meer trots dragen. Elke rimpel, elke kreukel staat, net als de jaarringen van een boom, voor een leeftijd: een geleefde tijd. Een tijd dat je hebt mogen leven. Een tijd dat je nog niet bent opgelost in het niets. Ik streel met mijn vingertoppen langs het gezicht in de spiegel. De huid voelt zacht en dun. Ik ga met mijn vingers langs de lippen. De lippen zijn smaller dan voorheen. Een spitse neus. Ik steun met mijn handen op de wasbak en leg mijn blik opnieuw op het spiegelbeeld. Daar, boven het midden van het gezicht, twee glanzende parels, omringd door zwarte wimpers en twee bosjes van dunne takjes lijkt het, de lijnen van de ogen naar de slapen. De blik in de ogen van het gezicht is leeg. Maar de ogen zelf, de kleuren zijn zo helder. Het overheersende wit, het mengsel van blauw, grijs en groen van de iris, het zwarte randje er omheen en de zwarte kern, de pupil. Zie daar, ogen hebben eeuwige jeugd. Deze ogen zagen mijn eerste dag, ze zien mijn laatste.
Ze zagen zijn lijden. Ze registreerden nauwkeurig elke gebeurtenis, van de diagnose tot zijn afglijden in het niets.
Voorheen voelde ik een steek van verlangen als ik aan Lauri dacht. In mijn buik, onderin. Wat zou het mooi zijn om nu bij hem te kunnen zijn, dacht ik dan. Het voelde als een mogelijkheid. Ik hoefde maar de galerij over te lopen en de paarse voordeur te openen en ik zou bij hem zijn. Ik zou naast hem in ons bed kruipen, onder de dekens, dicht tegen hem aan gaan liggen. Toch maar niet dood, toch maar leven, terug, kom vluchten in mijn armen, nee ga maar niet weg.
Die stekende pijn heeft zich laten vervangen. Blijkbaar had het mij niets meer te vertellen en is het er vandoor gegaan. Het beurse plekje is naar boven geschuifeld. Vlak boven mijn hart is het gaan zitten. Ik leg mijn hand boven mijn linkerborst op de plek en ik voel mijn hart zachtjes kloppen.
De herinneringen zijn zo levendig. Zijn gezicht, ik zie alle vormen voor me. Ik weet hoe zijn huid op zijn wangen en in zijn nek voelt als ik die met mijn lippen aanraak. Ik voel elke welving van zijn lichaam alsof mijn handen er op dat moment langsglijden.
In de spiegel zie ik dat de hond achter me ontwaakt. Hij staat op en zet een paar stappen in mijn richting. Ik draai me om en kniel bij hem neer. Ik kijk het beest in zijn ogen en voel een sterke verbintenis. Samen zagen onze ogen als enige Lauri's laatste dagen. Ik open de deur, stap over de drempel en zet het licht uit. De hond achter me ploft neer in zijn hoek en slaakt een diepe zucht.
Zo mooi geschreven meiss! Ik had 'm gelezen op hyves, maar vond het beter om hier een reactie te plaatsen. Je kan echt super schrijven Iris!
BeantwoordenVerwijderenDikke zoen, Daan
Hoi Iris!
BeantwoordenVerwijderenIk vind dit echt mooi van je geschreven! Kon me er helemaal in verplaatsen. Mooi!
Groetjes Robin