maandag 6 augustus 2012

Vrijheid om te discrimineren – made in Holland

Alle partijen in de Kamer staan achter het verbieden van de weigerambtenaar. Toch wilde weigerminister Liesbeth Spies (CDA) vorige week geen einde maken aan dit dwarse verschijnsel. Samen met de confessionele partijen en de Raad van State staat zij pal achter de uitspraak van partijgenoot Mona Keijzer: “Ik vind het oké dat jij homo bent, vind jij het dan oké als ik er moeite mee heb om twee homo’s in de echt te verbinden?” Met deze verdraaide logica straalt zij een pijnlijke arrogantie uit. “Tuurlijk Mona”, zei de homo, “mag jij moeite hebben met ons te huwen.” En dan, terwijl hij zich naar de weigerambtenaar wendt, verschuild achter Keijzer, als een kind vastgeklampt aan zijn moeders been: “Maar in jouw beroep krijg je geen vrijheid om te discrimineren.”

De homo geniet in het liberale Nederland de vrijheid om te trouwen en de weigerambtenaar heeft de godsdienstvrijheid om hier niet aan mee te werken. Waarom mag de homo dan wel doen wat hij wil, en de weigerambtenaar niet? Omdat vrijheid een relatief begrip is. Je kan het niet verdelen in gelijke stukken, zoals je met een pizza zou doen. Het is geen kwestie van: als jij twee vrijheden krijgt, krijg ik er ook twee. Ze variëren in soort, en vooral in gewicht.

Zo zou de godsdienstvrijheid volgens de Raad van State zo zwaar wegen dat de verboden weigerambtenaar zich wel eens gediscrimineerd zou kunnen voelen. Maar hij heeft zijn fundamentele vrijheid gewoon. Hij HOEFT geen ambtenaar te worden. Hij heeft die keuze zelf gemaakt. Hij is, in tegenstelling tot een homo, niet zo geboren.
Je kunt het volgens mij zien als een arbeidsvoorwaarde. Het gaat hier om het principiële uitgangspunt dat een ambtenaar de wet uitvoert. In de wet staat gelijke behandeling. Als de ambtenaar daar niet mee akkoord gaat, kan hij niet dit beroep uitoefenen. Zijn godsdienstvrijheid als mens komt daarmee niet in gevaar.

In de huidige situatie kan de ambtenaar die niet akkoord gaat met deze voorwaarden gewoon ambtenaar blijven. Hij verplaatst nu echter als weigerambtenaar alleen naar een ondersteunende afdeling waar alleen hetero’s gehuwd worden. Best goed te doen hoor, zelfde salaris, minder werk. Over gelijke behandeling gesproken.

Politici die deze slappe hap goedpraten met: “zolang er in elke gemeente maar de mogelijkheid is voor homo’s om te trouwen”, gebruiken een dubbele moraal. Als je vrijheid krijgt om te trouwen, maar je moet alsnog de vernedering ondergaan om geweigerd te worden, wat stelt de vrijheid dan voor? Benijd worden door vele homo’s over de hele wereld omdat je in het liberale Nederland woont, en ondertussen behandeld worden als een onmens. Terwijl het ondenkbaar is dat een ambtenaar op het gemeentehuis weigert een paspoort te maken voor een homo, kijkt minister Spies schaamteloos toe hoe weigerambtenaren de wet negeren.


maandag 4 juni 2012

De vragen van N.

Ken je dat? Een vriendin vraagt om raad en je probeert daarop zo wijs mogelijk antwoord te geven. Of het nu gaat over haar ex die ze mist (“hij is een lul”), haar carrièretwijfels (“jij komt er wel!”), of onzekerheden (“het staat juist prachtig!”), je weet altijd een antwoord te geven waardoor ze bij haar volgende drankje alweer tevreden glimlachend vraagt hoe het eigenlijk met jou is. Maar vanavond liep het anders. Neem een kijkje in de vragen van mijn vriendin N.

“Waarom kijkt ze nou zo raar?” begon N. over de cover, waarop Linda de Mol herself te zien is, in een bikini met een cynisch-vrolijke blik (“Ik heb een bikini aan, maar mijn buik komt er niet op. Ik voel me dus prima, maar ik probeer toch heel radeloos onzeker te kijken voor mijn doelgroep.” Zo’n hoofd dus). Samen bladeren we door de Linda.  
“Zou jij dat nou kunnen, Ier?” vraagt ze, als we het interview met Roel van Velzen lezen. “Zo’n kleine man?” Ze staart even naar zijn foto. “Ik heb het wel vaker met jongens, dat ze kleiner zijn dan ik. Maar dat zou dan toch gek zijn, als je seks met hém hebt dan voel je zijn beentjes tot hier..” ze wijst naar iets boven haar knie. Ze lacht: “Nee, ik zou het echt niet kunnen.”
Als ik verder blader, houdt ze haar hand op een bladzijde met een ander interview. “Wacht, dit moet je lezen!” De geïnterviewde, Sander van de Pavert, vertelt over zijn bijzondere kijk op platonische relaties: “Ik houd wel van een zekere erotische spanning in een vriendschap. Ook met mannen komt geilheid wel eens om de hoek kijken.”
Met grote ogen kijkt ze me aan. “Dat kan toch niet! Dan zouden wij hier nu gewoon, samen op de bank..” en ze beweegt met een quasi-verleidelijke blik haar hand over m’n bovenbeen. Ik lach om de vergelijking en antwoord dat hij zich dan waarschijnlijk wel aangetrokken voelt tot mannen.
“Wat is dat toch een vreemd spel van de natuur hè?” N. fronst met haar ogen. “Ik heb wel eens gehoord dat in mierenkolonies homo’s ontstaan omdat er ‘overbevolking’ heerst, zodat die mieren zich niet voort kunnen planten, en voor nog meer mierenvolk zorgen.”
“Zou hij het dan trouwens ook anaal doen?” merkt N. op.
Ik antwoord vertwijfeld: “Misschien..”
“Ik snap sowieso niet dat mensen dat willen, Ier. Van mannen snap ik het nog wel. Ze willen het gewoon omdat het in pornofilms te zien is. En omdat het lekker strak is. Maar vrouwen, waarom willen die het dan?”
Als ik vertel over een vriendin die daar makkelijk orgasmes van krijgt, blijft N. volhouden dat ze het vast alleen doet om haar man te behagen.
“Weet je wat ik wel eens gelezen heb,” zegt N. “Een jongen die had altijd anale seks met zijn vriendin, maar nu was hij van plan om het uit te maken omdat het altijd stinkt onder de dekens.”
Stank voor dank, denk ik nog.

Nee, na al haar vragen kwamen er vanavond geen geruststellende antwoorden van mijn kant. Geen tevreden blik op haar gezicht. Wanhopig kijkt ze me aan. “Alles kan tegenwoordig.. alles is een optie. Hier: neem een man, of een vrouw, of een paard. In American Pie neukt hij een taart. De wereld wordt gek Ier!”
N. staart uit het raam en zucht diep. Even blijft het stil. 
Ze kijkt om met een vermoeide glimlach.  “Maarja, hoe is het eigenlijk met jou?” 

zondag 29 april 2012

Arabische Winter

Een rustig mysterieuze sfeer hangt er in theaterzaal ’t Woord in de Openbare Bibliotheek van Amsterdam. De Berberse klanken galmen door de holle ruimte, samen met de opzwepende stem van de zangeres. De geluiden doen iets met me. Ik luister niet alleen, maar laat de muziek mijn lichaam doordringen. Naast mij klapt een vrouw van middelbare leeftijd en iets dunner grijs haar het ritme van de drums op haar schoot. Achter in de zaal klinkt een hoge uitroep van een jonge vrouw met een bordeauxrode hoofddoek. Haar lippen vormen de woorden van het lied.
Terwijl de Arabische melodie de ruimte vult, denk ik aan de woorden die Martin Verbeet, woordvoerder Kunst en Cultuur in de gemeenteraad van Amsterdam, zojuist sprak: “Ik hou van het Amsterdam waar we verrijkt worden door andere culturen. Een Amsterdam dat mij bevrijdt.” Utopisch bijna, zijn schets van multicultureel Amsterdam. “Waar heeft hij met zijn hoofd gezeten de afgelopen jaren? Is de realiteit niet veel harder?” dacht ik meteen.
Die hardheid in de Nederlandse samenleving staat in scherp contrast met de zachtheid in deze zaal. De man die in het Arabisch dicht hoezeer hij Irak mist. De vrouw die van haar klaagzang over haar ervaringen in de Libische oorlog proza heeft getoverd. De grapjes die presentator Mimoun Ouled Radi tussendoor maakt over Marokkanen, waar de hele zaal om moet lachen. Jurylid Halil Gür, die vertelt dat hij de jonge schrijvers die meedoen aan deze literatuurwedstrijd, een hart onder de riem wil steken, omdat je ‘jonge bomen nog kunt buigen.’  
De zachtheid overstemt bij het applaus dat klinkt nadat Verbeet zijn hoop uitspreekt voor een kabinet met een vleugje minder Wilders. De zachtheid overstemt die middag, omdat het applaus net zo hard klinkt voor het, voor de halve zaal onverstaanbare Arabisch gedicht, als voor alle Nederlandse voordrachten.
De Marokkaanse zangeres overstemt mijn cynische gedachten over de harde realiteit. Even bestaat er voor mij geen enkele ‘kut-Marokkaan’, geen Wilders, geen boerkaverbod en geen haatsamenleving, waarin men elkaar de lucht in de longen niet gunt. Een lichtje hoopt ontwaakt in me: wat een rijkdom, dat wij in ons thuisland zoveel mee kunnen krijgen van andere culturen.
Utopisch? Ja. Maar is dit utopische denken niet de enige manier om ooit een échte multiculturele samenleving te worden, waarin elke cultuur er mag zijn?
Beter haten we niet, en beginnen we met een beetje dromen. Zo kunnen we zelf gaan kijken wat de Arabische cultuur te bieden heeft, naast de geschetste beelden van ‘grote boze Allah’, gewelddadige mannen en heilige oorlogen.
Zou Nederland ook nog een jonge boom zijn? Of is hij inmiddels een oude tak die breekt bij de eerstvolgende vreemde invloed?
Volgens mij wordt het tijd dat er in Nederland een einde komt aan de Arabische Winter.