Het gekke gevoel blijft aanhouden. Ik dacht eerst dat het kwam door de warme zomer, maar mijn lichaam stopt niet met zweten. Gelegen op mijn rug in de schaduw tast ik met mijn hand rechts van me. Waar is mijn telefoon? Langzaam breng ik mijn handen naar mn ogen. Ik wrijf de slaap eruit, en draai vermoeid mijn hoofd naar mijn nachtkastje.
Mijn hart slaat over. Mijn longen vullen zich snel met lucht. Mijn hartslag gaat omhoog. Ik schrik. Mijn hand is bruin, donkerbruin. En zo ook mijn arm, mijn buik, mijn benen, mijn hele lijf. En er is geen nachtkastje.
Onder een boom lig ik. Om me heen dorre vlakten, een enkele boom. De lucht is helderblauw. De zon is wit zo fel, en straalt op zn hardst. Ik zie wat hutjes, in de vorm van paddestoelen. Een soort lage, brede paddestoelen. Met een rieten dakje en een muur van mest en modder.
Een horde mensen komt aanlopen. Ze maken veel geluid, praten door elkaar. Iedereen draagt felgekleurde kleden. Niemand heeft lang haar, ze zijn allemaal kaal of gemillimeterd.
Iedereen is mager. Toch lachen de meeste mensen, met opvallend mooie witte tanden.
Ik zie een vrouw met een emmer water. Achter haar staat een waterput. Ze houdt het water boven haar hoofd. Haar vermoeide blik steekt in mijn hart. Ze kijkt doelgericht, overal doorheen. Standvastig, maar toch doodmoe. Plots vergroten haar ogen zich en ze glimlacht. Ze lijkt iets te zien.
Het zijn wat mannen, ze komen terug van de jacht. Trots dragen ze een grote gazelle op hun schouders. Met hun blote voeten lopen ze over de prikkelige grond. Het zweet druppelt langs hun hoofd naar beneden, hun doeken zijn doorweekt. Achter hen loopt over het dorre gras een lange sliert bloed. Tussen de hutten door lopen ze naar een open plek.
Bij een van de hutten zit een klein meisje. Ze kietelt met een takje de blote voetjes van haar broertje. Haar shirt hangt aan haar arm, waarbij haar schouder ontbloot. Haar broertje draagt alleen een klein broekje en een doek op zijn hoofdje tegen de zon. Al zijn botten zijn te zien. Bij elke beweging lijken ze door zijn huid te priemen. Beide kinderen lachen luid.
Een van hen wordt geroepen door de vrouw met de emmer water. Het jongetje rent naar haar toe en tilt de twee witte jerrycans met water op. Dezelfde uitdrukking als zijn moeder krijgt hij. Star, vermoeid, maar toch trots.
Het meisje springt op en holt een hutje in. In dat hutje zit de medicijnman gehurkt in een hoekje. Hij is heel oud, zijn rimpels diep. Hij is geleefd. Naast hem ligt een vrouw plat op de grond. Met zijn handen maakt hij een bezwerende beweging. Ik zie zijn schrale lippen wat woorden mompelen. De vrouw kijkt vol vertrouwen naar de medicijnman. Ze sluit haar ogen en hij legt zijn hand op haar voorhoofd.
Hij kijkt naar buiten, de hemel in, ik volg zijn blik.
“.. met bividis actie-regularis cultuur, voor een verbeterde stoelgang!” roept de vrouw van het water plots opgewekt. Ze tovert uit de emmer allemaal pakken Activia tevoorschijn.
De medicijnman rent het hutje uit en haalt uit zijn koffertje Revitalift van L’oreal, en Beauty Cream Oil van Nivea. “Voor een zachtere, stralende huid”, zegt hij breed grijnzend tegen de liggende mevrouw. “En als u wil kan ik best wat van uw dijen wegzuigen hoor. De borsten zijn ook geen probleem, en bovendien denk ik dat u toe bent aan een iets vollere bovenlip”.
De mannen die de gazelle weggebracht hebben komen terug in een Lamborghini Murcéalago, zo’n knalgroene. “Go shorty, it’s ya birthday” dreunt er uit de speakers.
Het jongetje van de jerrycans rent op zijn vader af, die achter het stuur zit. “Papa, mag ik een nieuw stemmetje uitkiezen voor de TomTom?” Zijn vader staart echter vanachter zijn dikke zonnebril in de verte.
“Paaaap!” roept het kleine meisje van de takjes enthousiast. “Kijk eens hoe tante Deborah er uit ziet!” Tante Deborah staat tevreden naast de medicijnman, met haar nieuwe borsten.
Plots komt het meisje naar mij toe. Ze buigt zich over me heen en kijkt zorgelijk. “Ier?” zegt ze. “Kom eens bij me liggen poepie.” Ze komt steeds dichterbij en met haar grote bruine ogen lijkt ze door me heen te gaan. Ze komt zo dichtbij dat ik alleen maar haar bruine ogen zie.
Dan zijn het de ogen van mijn vriend. Hij zegt nog eens: “Kom eens bij me liggen?” en dat doe ik dan maar. Hij slaat zijn beschermende armen om me heen en ik kroel dicht tegen hem aan.
Met een lichte siddering denk ik terug aan mijn droom. Wat een tegenstellingen, tussen daar en hier. Hoe relatief is het eigenlijk, in welk lichaam je geboren word? Ik had net zo goed de vrouw kunnen zijn van het water. Zij had net zo goed mij kunnen zijn, knus in bed, en wetend dat straks schoon water stroomt in één handbeweging. We zijn allebei evenveel mens, we zijn allebei geboren en we gaan allebei dood.
Als je dat goed beseft, voel je hoe belangrijk het eigenlijk is om iets te doen voor mensen die het slechter hebben.
Die vrouw met het water, en ik hier in Nederland. Als wij nou eens een verbintenis aan zouden gaan. Ik zorg voor haar, zij helpt mij waar ze kan. Zij stuurt mij typisch Afrikaanse kruiden, planten, vruchten, of misschien iets kunstigs. En ik stuur haar eens wat geld, wat kleren, wat eten, wat speelgoed voor haar kinderen.
Stel je nu eens voor! Ieder individu gaat een verbintenis aan met een ander, zodat er duo’s ontstaan. Iedereen zorgt voor iemand anders. Niemand meer alleen, niemand in de steek gelaten, altijd iemand om op terug te vallen. Arm en rijk, samen.
Geen opmerkingen:
Een reactie posten